Effect zomerscholen

Hoewel ik zelf al jaren heb kunnen waarnemen dat een zomerschool heel effectief is voor bepaalde leerlingen, blijft het moeilijk mensen te overtuigen, want er is geen of onvoldoende wetenschappelijk onderzoek naar gedaan. Nu is er naar heel veel zaken die we doen en waarvan het verstand zegt dat het nuttig is geen wetenschappelijk onderzoek gedaan, maar voor de zomerschool is het toch wel heel lastig dat er onvoldoende wetenschappelijk bewijs ligt. Ook Hattie geeft aan dat het effect niet overdreven mag worden en scoort zomerscholen dan ook laag op de rangorde van effectieve interventies.
Ik heb al vaker op dit blog aangegeven dat er een groot verschil is tussen zomerscholen en dat hetgeen er wordt gedaan en hoe dat wordt gedaan belangrijk zijn voor de cognitieve leerwinst. Met andere woorden, verliezen leerlingen in de zes weken vakantie cognitieve vaardigheden omdat deze vaardigheden onvoldoende worden bijgehouden, of blijven deze vaardigheden op niveau of nemen ze zelfs toe doordat er een effectieve zomerschool wordt bezocht.
De stand van zaken in Nederland wordt er niet beter op als er allerlei initiatieven worden ondernomen onder de noemer zomerschool, die niets met een zomerschool te maken hebben. In Amsterdam zijn er zelfs buurthuizen die melden dat ze een zomerschool organiseren. Ouders die dringend om opvang tijdens de zomervakantie verlegen zitten of denken dat hun kind hierbij gebaat is, happen gretig toe. Hier en daar wordt er zelfs 300 tot 400 euro per week betaald en je mag zelf weten wanneer je komt en hoe lang je deelneemt. Voor het programma maakt dat niet uit. De activiteiten die daar worden ondernomen hebben niets te maken met leren, ze  zijn gewoon leuk. Hier is natuurlijk niets mis mee, maar noem dat geen zomerschool. Enerzijds wek je de verkeerde verwachtingen bij zowel ouders als leerlingen, anderzijds benadeel je de echte zomerscholen die werken met ervaren en bevoegde leerkrachten en een stevig curriculum in elkaar hebben getimmerd.

Voor de wetenschapper die onderzoek wil doen naar het effect van drie weken zomerschool op leerlingen eind groep 7 staat ook de komende zomer onze deur in Amsterdam West open. Kijk naar onze doelstellingen en meet of die worden gehaald. Er zijn zo’n 35 basisscholen die leerlingen aanmelden, onder die leveranciers zijn vast wel scholen te vinden die mee willen doen om een controlegroep te vormen van hetzelfde type leerlingen die niet naar de zomerschool gaan.
In de tussentijd verzamel ik hieronder artikelen die ik bij toeval tegenkom. Tips zijn welkom!

Borman, G. D. (2001). Summer learning loss, summer school, and the achievement gap: An overview of the research. Principal Magazine, 80, 26–29.
Why Summer Learning Deserves a Front-Row Seat in the Education Reform Arena. Link
Schools, Achievement, and Inequality: A Seasonal Perspective. Link
Evaluating Summer School Programs and the Effect on Student Achievement:
The Correlation Between Stanford-10 Standardized Test Scores and Two Different Summer Programs (proefschrift). Link
Minimizing Reading Regression through a Direct Instruction Summer Reading Program (proefschrift). Andere doelgroep, maar zelfde doelen als zomerschool Amsterdam: tegengaan verlies van pas verworven cognitieve vaardigheden.  Link
Summer Learning Loss: The Problem and Some Solutions Link
Impacts of a Summer Learning Program: A Random Assignment Study of Building Educated Leaders for Life. Link
Geplaatst in Zomerschool | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Vakantie en het verlies van kennis en vaardigheden

Gemiddeld verliezen leerlingen tijdens de zomervakantie twee maanden leertijd op het gebied van leesvaardigheid en andere cognitieve vaardigheden. Kortom, zes weken zomervakantie betekent in veel gevallen geen stilstand, maar teruggang.
In veel steden worden Zomerscholen voor basisschool leerlingen georganiseerd. De plaatsen zijn beperkt en als jouw kind niet is geplaatst, wat kun je dan als ouder het beste ondernemen om verlies van kennis en vaardigheden te beperken in de zomervakantie?
Hieronder staan enkele suggesties. Bedenk van te voren welke activiteiten je gaat ondernemen en zorg voor een leuke mix van uitstapjes en thuis-doe-dingen zodat er wekelijks twee of drie activiteiten op het programma staan. Heb je contact met ouders van school of in je straat? Misschien kunnen jullie elkaar steunen en taken verdelen?

Om leesvaardigheid vast te houden is lezen natuurlijk een must. Ga samen naar de bibliotheek en kies 10 boeken uit die je drie weken mag lenen. Natuurlijk zitten daar niet Ontdek_omslagalleen leesboeken bij. Eén of twee (voor)leesboeken zijn wel voldoende om de leesvaardigheid op peil te houden. Kies meteen boeken uit voor jezelf, zodat je het goede voorbeeld geeft en dagelijks twee keer een moment uitkiest om samen te lezen. Dat kan thuis op de bank, maar ook in de tuin, in het park of op het strand. Kinderen die zien dat ouders lezen en zo onbewust seinen dat lezen leuk is, zijn eerder geneigd om zelf ook te lezen.

Tien boeken, waarvan twee leesboeken, dat betekent dus acht boeken uit andere kasten: opzoekboeken, bladerboeken, prentenboeken, boeken over ruimtevaart, het weer, dieren en de natuur, technische snufjes. Neem in ieder geval boeken mee waar proefjes in staan die je samen thuis (of buiten) kunt doen (windroos maken, watermeter enzovoort).experimenten
Kinderen vinden het fijn om samen te koken, te bakken, te knutselen, dus iets te maken. In de bibliotheek staat een ruime sortering aan boeken die stap voor stap laten zien hoe je iets maakt met papier, hout, touw, afval. Kies samen twee of drie ‘maakboeken’ uit. Ga je thuis iets maken uit het boek, bespreek dan eerst samen wat je nodig hebt. Soms kiezen kinderen hele fancy of hele moeilijke objecten om mee te beginnen. In plaats van die bot af te wijzen omdat de stress je al naar de keel grijpt, kun je beter samen overwegen of je dat wel kunt maken. Uiteindelijk kun je samen besluiten dat het te moeilijk is omdat je de spullen of gereedschappen niet hebt of dat je niet ervaren genoeg bent om het te begeleiden. Door te overleggen kom je hier vast samen wel uit.

Kinderen gaan tijdens de zomervakantie ook een beetje terug in het vermogen om te leren als zij niet voortdurend geprikkeld worden. Dat prikkelen hoeft niet met lesjes uit leerboeken. Puzzelen, spelletjes spelen, samen op verkenning in het park, het bos of de polder zijn al prikkelend genoeg als er maar iets te doen is. Laat de uitstapjes niet te lang duren en bedenk een thema. Hoeveel verschillende vogels kunnen we spotten? Kunnen we sporen van dieren vinden op de grond? In de bibliotheek kun je vast een leuk boek vinden dat hier goede tips voor geeft.natuur
Ga eens naar een ander deel van de stad waar je woont of als je in de provincie woont, bezoek een stad en let samen eens op de verschillen tussen deze leefomgeving en die van jezelf. Waar zit dat verschil dan in? Buitenactiviteiten en praten over wat je ziet houden de hersenen actief en bevorderen het concentratievermogen.

Ook als je zelf niets met techniek hebt, is het voor kinderen leuk om daar wel iets aan te doen. Er zijn leuke setjes te koop om samen iets in elkaar te knutselen. Die setjes zijn te koop in verschillende soorten en maten met bijbehorende prijzen, d.w.z. van goedkoop tot schreeuwend duur. In iedere provinciestad is wel één speelgoedwinkel die zich heeft gespecialiseerd op dit terrein. Anders biedt internet uitkomst: Tip 1   Tip 2   Tip 3

Zelf iets bouwen of in elkaar zetten bevordert het creatieve leervermogen van kindereneinsteinen houdt de hersenen lenig. Het gaat niet alleen om een handleiding lezen, je moet een handleiding ook kunnen begrijpen en volgen en overgaan tot een handeling. Bij dit soort activiteiten zijn er altijd tegenslagen en het gaat er juist om dat kinderen daarmee om leren gaan. Zo worden ze sterker in het problemen overwinnen en knelpunten oplossen als iets niet meteen lukt.
Veel plezier!summerlearningloss

Geplaatst in Creativiteit, Ouderbetrokkenheid, Zomerschool | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Aanbod ondersteuning organisatie zomerschool vo

Marijke Kaatee heeft 6 jaar ervaring met de organisatie van Zomerscholen voor het basisonderwijs. Hoewel de doelstelling en de uitvoering van een Zomerschool voor het basisonderwijs verschillen met die van het voortgezet onderwijs, is de organisatie vooraf vrijwel identiek.

Op de website van de vo-raad staat een link naar het rapport over de effecten van een zomerschool (zie onder). Op de website zomerscholen.vo wordt vermeld hoe subsidie kan worden aangevraagd bij DUO voor een zomerschool om zittenblijven tegen te gaan (650,00 per leerling).
Ervaring leert dat de subsidie meestal ruim genoeg is om de organisatie goed te overdenken, externen in te schakelen, aan leerplanontwikkeling te doen en ruim op tijd te beginnen met de voorbereiding, die omvattend is.
De zomerschool moet er vanaf de eerste dag als volwaardige school staan: met een eigen profiel. De zomerschool ‘repareert’, maar moet zo prettig, succesvol en bevredigend zijn, dat het een onvergetelijke succeservaring wordt voor leerlingen en docenten.
In het voortraject gebeurt heel veel tegelijkertijd. Het is mijn aanbeveling om de tijd ook te benutten om een ontwikkelgroep te starten voor gemotiveerde docenten die les zullen gaan geven met een specifiek leerplan per vak of vakken.

In de aanloopfase worden er criteria geformuleerd voor deelname.
Er zijn meer factoren die een rol spelen bij ‘zitten blijven’ dan te weinig doen:
• verzuim op cruciale momenten wegens ziekte (hiaten in voorwaardelijke basiskennis);
• ingrijpende gebeurtenissen in het privéleven van een leerling waar bepaalde vakken onder hebben geleden;
• onvoldoende ontwikkelde metacognitieve vaardigheden. Leerlingen hebben genoeg in huis, maar ze hebben niet geleerd hoe ze moeten leren, hoe ze taken aan moeten pakken, wat de goede denkprocessen zijn bij bepaalde vakken;
• thuis onvoldoende steun bij het plannen en aanpakken;
• voor ‘onderpresteerders’ geldt dat ze beschikken over voldoende kennis, maar ze komen niet uit de verf als ze zich opeens moeten inspannen.
• leerhouding onvoldoende en/of, verkeerde mindset.
Op basis van bovenstaande factoren kunnen schoolspecifiek toelatingscriteria worden geformuleerd en bij voorkeur speelt een zomerschool ook in op deze factoren.

Hoewel de doelgroep verschilt, spelen zich in het voortraject dezelfde processen af in het po als het vo. Het voortraject is maar kort en in die periode moet er heel veel tegelijkertijd gebeuren op verschillend niveau.
Marijke kan, op basis van ruime ervaring met de organisatie en uitvoering van een zomerschool in het basisonderwijs ook vo-scholen ondersteunen bij de organisatie van een zomerschool in 2015.

Wat komt er onder andere in korte tijd op een school af?
Onderzoek naar te verwachten leerlingen, per locatie, per jaarlaag, per vak. Keuze voor de locatie(s). Bepalen klassengrootte. Welke vakken? Werven van docenten: vragen of solliciteren? Eigen docenten of externen? Selectiecriteria.
Leerplan, maatwerk op hiaten, metacognitieve vaardigheden, vakgerichte vaardigheden, effectieve didactische modellen, toetsen. Communicatie intern en extern.
En, wordt de zomerschool ook aangegrepen om van gedachten te wisselen over, of om ervaring op te doen met het anders structureren van de reguliere onderwijsomgeving?

Benut de beperkte tijd volledig en gebruik het geld om externen in te schakelen bij de organisatie in plaats van docenten met een extra (zware) taak te belasten waar ze geen ervaring mee hebben!  Een gedegen organisatie vooraf is een doorslaggevende factor voor succes.

Links: vo-raad en zomerscholen vo  Op deze site staat vermeld dat scholen hun lokale externe partij kunnen inschakelen bij de organisatie.

Geplaatst in Zomerschool | Getagged , , , , , | Een reactie plaatsen

Onderwijs 2032

Er schuurt iets
Er schuurt iets in het nationale kerncurriculum. Maar wat?
Ons onderwijssysteem kan anders en moet ook anders, bijvoorbeeld het onderwijs en het curriculum anders organiseren, maar of we nu meteen moeten snijden in de kern op basis van wat het volk vindt? Je moet wel heel gegronde redenen hebben om te snijden, het curriculum is al flink uitgedund.
Als we flexibele, wendbare, creatieve en kritische geesten willen, dan is niet de eerste optie om kennis uit het curriculum te snijden en te vervangen door ‘nieuwe kennis’. Zou het niet meer gaan om de manier waarop onderwijs wordt verzorgd, zodat de leerlingen die dat in zich hebben een gedegen fundament aan kennis verwerven en waarbij de vaardigheden zo zijn ontwikkeld dat ze kritisch, flexibel en wendbaar genoeg zijn om in een voortdurend veranderende samenleving mee te kunnen gaan? Of zou het gaan om de wijze waarop het onderwijs al decennia lang is georganiseerd, denk hierbij aan de roosters van vo-leerlingen die elk uur door een bel, zoemer, klokkenspel, bliepje of lichtje in beweging komen en naar een andere les vertrekken.

Fundament en etages
In 2032 is het hoogstwaarschijnlijk nog steeds nodig om te begrijpen: hoe coördinaten werken, geslachtelijke voortplanting plaatsvindt, wat stuwing te maken heeft met de waterkringloop, wat de poortader is en doet, wat de aanloop was tot het uitbreken van de eerste wereldoorlog. Het is maar een willekeurige greep uit het rijke kerncurriculum van ons onderwijssysteem.
Welke leerstofonderdelen zouden kunnen verdwijnen omdat ze niet meer nodig zijn om kennis van te nemen in de context van 2032. Wat moeten leerlingen dan kennen en kunnen? Kunnen we dat in 2014 al weten?
Of gaat het niet om basiskennis, maar om de vaardigheden? Zou het niet meer nodig zijn dat leerlingen leren: hoe je kaarten (atlas of internet) kunt interpreteren en gebruiken, beoordelen en uitrekenen welke offerte van de winterschilder het gunstigste is (zonder rekenmachine), oppervlakte, omtrek of inhoud te berekenen, de verzekeringspolis te lezen en de reikwijdte ervan te begrijpen, gedachten op papier te zetten, een ander te overtuigen, iemand te bewegen actie te ondernemen en daarbij rekening te houden met de doelgroep?

Een kerncurriculum van 4 tot 18 jaar is gebaseerd op stapeling. Om scheikunde in leerjaar 3 van het vo te leren is een fundament nodig dat is neergelegd in voorgaande jaren. Scheikunde in leerjaar 5 van het vo bereidt voor op de universiteit, dus brengt weer de bouwstenen aan voor het fundament dat er moet zijn om te kunnen doorstromen naar die universiteit.
Het begint op de basisschool met de eerste steentjes en in de loop der jaren wordt het fundament gelegd om etages te bouwen en leerlingen leren de trappen te gebruiken. Onderwijs is een kwestie van stapelen, nieuwe kennis koppelen aan bestaande kennis.
Accenten in een kerncurriculum kunnen verschuiven in de loop van de tijd, maar met alle Nederlanders willen praten over wat in dat kerncurriculum gehandhaafd moet worden is dat de juiste weg? Tachtig docenten op één school worden het al niet eens, zes meningen in een sectie leiden al tot een compromis waar niemand zich echt helemaal in kan vinden en nu zet Sander Dekker de microfoon op het dorpsplein en mag iedereen iets roepen over ons nationale curriculum.

Iedere vo docent kan vertellen dat het fundament dat gelegd zou moeten worden nogal kan verschillen. Er zijn basisscholen waar leerlingen met een heel stevig fundament de school verlaten, waar soms al de stenen van de eerste verdieping van het vo zijn neergelegd en er zijn scholen waar dat basisfundament (bij lange na) niet gehaald wordt.
Op scholen waar gewone leerlingen het basisfundament niet goed wordt onderwezen gaat het niet om het herzien van het kerncurriculum. Het gaat dan om de vraag waarom die minimale doelen niet gehaald zijn, welke dat dan ook zijn, nu en in de toekomst. Dus als niveau een pijnpunt is, is het niet logisch om te schrappen in het leerplan. Het ligt dan in de lijn om de didactische kwaliteiten van docenten te versterken en te onderzoeken hoe we het curriculum beter kunnen stroomlijnen.

Aanknopingspunten
Er is heel veel mis in het onderwijs, maar er gaat gelukkig ook heel veel heel erg goed.
Voor ons kerncurriculum is gekozen omdat het onnoemelijk veel aanknopingspunten biedt om te werken aan de fundamenten die nodig zijn voor de verschillende typen vervolgonderwijs en tegelijkertijd verdiepende activiteiten te organiseren voor leerlingen die meer aan kunnen. Er is een waaier aan mogelijkheden om het onderwijs dynamisch en actueel te laten zijn, de context te verbreden en leerlingen heldere en kritische denkers te laten worden. Programmeertaal, Chinees of eerder beginnen met Engels kunnen daar deel van uitmaken. Alles begint op de basisschool met de bouwgrond rijp te maken en eerste laag steentjes te leggen; bij de leerlingen die dit kunnen. Denken in verbindingen en integratie is het adagium om ruimte te creëren zodat ook eerder beginnen met Engels of het volgen van Chinees mogelijk wordt zonder de onderwijstijd te verlengen. Diverse scholen grijpen de vrijheid al aan die in Nederland bestaat met betrekking tot de verzorging van onderwijs. De overheid stuurt alleen op ‘output’.

Versnelling, indikking, verdieping en herkansing
Onderwijs 2032 zou aangegrepen kunnen worden om gepersonaliseerd leren mogelijk te maken. Het creëren van zogenaamde ‘fastlanes’, voor leerlingen die sneller door het basiscurriculum vliegen (po en vo) en in de vrije ruimte meer leren dan de basis, met keuzemodulen waaronder programmeertalen, vreemde talen (Chinees), kunsteducatie, breien, naaien, techniek of technologie. Terwijl leerlingen in de ‘fastlane’ zitten, kunnen ook leerlingen worden bediend die dreigen te doubleren. De in gang gezette ontwikkeling van zomerscholen zijn een goede proeftuin om te zien in hoeverre vaste perioden in het onderwijs gebruikt kunnen worden om leerlingen herkansingsmogelijkheden te bieden om zittenblijven te voorkomen.

Onderwijs 2032 zou ook aangegrepen kunnen worden om te zien of het mogelijk is de spreiding van vakken over een jaar (40 weken 2 keer 1 uur een bepaald vak), anders te organiseren. Hoe kun je 80 uur les in een bepaald vak aantrekkelijker maken en zorgen voor meer verdieping en binding? Een periode van 10 weken 8 uur per week? Dat zou neerkomen op twee keer een ochtend. Er blijft meer effectieve lestijd over omdat leerlingen niet meer ieder uur door de gangen moeten lopen, daardoor ontstaat er ook meer rust. Meer aaneengesloten lestijd betekent ook meer mogelijkheden om voor het vak aan grotere opdrachten te werken. Grotere opdrachten, al dan niet vakoverstijgend, zijn veel interessanter en effectiever voor leerlingen. Ook blijkt het mogelijk excursies te organiseren gerelateerd aan het vak, zonder lesuitval van andere vakken.
Voor docenten is het ook een aantrekkelijke manier van lesgeven. Je hebt minder klassen, ziet dus minder verschillende gezichten. Je kunt in relatief korte tijd veel meer echt contact maken met je leerlingen, daar profiteren de leerlingen en de docent van.

Het hoe en herschikking
Onderwijsherziening gaat dus meer om het ‘hoe’ en ‘herschikking’ van de mogelijkheden in het systeem.
Mogelijkheden op scholen verschillen sterk. De organisatie van het onderwijs veranderen tijdens de rit is geen gemakkelijke opgave en wordt bemoeilijkt door de populatie die wordt bediend, de randvoorwaarden op een school en de samenstelling van het team. Niet alle docenten zijn zo wendbaar en bekwaam als gesuggereerd wordt (onder- en onbevoegden). Ook zijn docenten (soms door omstandigheden) niet zo creatief en enthousiast als we zouden willen. Er is nauwelijks tijd om lessen goed voor te bereiden en het is niet bespreekbaar om onderscheid te maken in de taakbelasting van verschillende vakken, terwijl die taakbelasting wel verschilt.

Minder lesuren en uitbreiding van de voorbereiding van lessen zou veel helpen. In die voorbereidingstijd ben je in staat om over de grenzen van je vak te kijken en verbindingen tot stand te brengen, dat is ook precies wat leerlingen nodig hebben.
Twitter explodeerde na de oproep van Sander Dekker en we horen meteen voorstellen dat scholen hun eigen (kern)curriculum zouden moeten gaan samenstellen. Vanuit mijn ervaring op scholen met leerplanontwikkeling durf ik op te merken dat helaas niet iedere goede docent ook leerplantechnisch kan denken. Leerplanontwikkeling op scholen droppen brengt het risico met zich mee dat er wielen worden uitgevonden die later weleens vierkant zouden kunnen zijn.
De herziening van een nationaal curriculum is bij voorkeur gecentraliseerd en de scholen houden net als nu de ruimte om accenten te leggen en een eigen signatuur aan het curriculum te geven. Je zou in verhoudingen kunnen denken, 60% bepaalt de overheid met een nationaal basiscurriculum, 40% is aan de school (of 70-30, 80-20).

Achterwerk
Het gevaar van een nationale discussie op gang brengen over een kerncurriculum brengt met zich mee dat de meeste onderwijsgevenden niet worden gehoord: de docenten die zich voornamelijk bezighouden met de uitvoering en zich nooit en te nimmer mengen in discussies op Twitter en Facebook, niet bloggen en geen bijeenkomsten bezoeken omdat ze daar domweg geen tijd voor of zin in hebben.

Achterwerk in de kast is terug en de staatssecretaris vraagt het volk om een braindump. Hopelijk zijn het niet de usual suspects die zich op het dorpsplein achter de microfoon staan te verdringen om hun stokpaardjes te berijden. Nederland kent veel meer meningen over een kerncurriculum van 4 tot 18 jaar voor de komende 20 jaar dan nu gehoord/gelezen worden op internet. Ik hoop dat er een model wordt gevonden om te luisteren naar diegenen die zich niet melden bij de microfoon op het dorpsplein om alle kennis en kunde bij elkaar te vegen en te wegen.
In het filmpje op You Tube werd aan docenten, ouders, kinderen en bazen gevraagd mee te denken. Was de onderwijsadviseur bewust in het rijtje weggelaten, of mag deze expert met helicopterview Paul Schnabel helpen bij het orde scheppen in de berg met ideeën?

Geplaatst in Algemeen, Onderwijs2032 | Getagged , , | Een reactie plaatsen