ZOMERSCHOOL: Middagprogramma in het EYE

Behalve een pittig ochtendprogramma waarin verbreden van de kennis van de wereld, woordenschatontwikkeling, taal en rekenen centraal staan, volgen leerlingen van de Zomerschool in Amsterdam Nieuw-West ook een interessant middagprogramma.
In de eerste week was dat middagprogramma gericht op groepsvorming en het sluiten van vriendschappen. In de tweede week ligt de focus op cultuur en media.
Alle groepen bezoeken deze week musea.
Groep groen trapte op maandag af met een bezoek aan het filminstituut EYE. Behalve dat zij daar werden rondgeleid, hebben ze een workshop animatie gevolgd onder leiding van Gert Meinardi. Het is knap wat Gert in anderhalf uur met de groep voor elkaar heeft gekregen. Alle groepen verbeelden een verhaal uit het boek Kinderen van Amsterdam. Groep groen maakte een animatie van het verhaal van Jansje, één van de eerste bewoners van Amsterdam dat toen nog geen stad was maar een gehucht op een dam in de Amstel. Uiteraard moet hiervoor goed worden samengewerkt door de verschillende subgroepjes. Het resultaat mag er zijn. LINK!

Zie ook deze Thinglink!Groep groen in EYE1

Geplaatst in Creativiteit, Onderwijstijdverlenging, Zomerschool | Getagged , , | Een reactie plaatsen

DE ZOMERSCHOOL 2014 IS GESTART

Maandag 7 juli is de Zomerschool gestart. Drie groepen met 20 leerlingen, in totaal 60 leerlingen dus.
RTVNH kwam de eerste ochtend spontaan langs voor een radioreportage. We zijn samen naar klas rood gegaan en daar heeft Julien Dom mij een aantal vragen gesteld. Vervolgens heeft hij een paar opnamen gemaakt van de leerkracht en twee leerlingen geïnterviewd. Van dat alles is een item gemonteerd van iets meer dan twee minuten.
Overigens is het altijd bijzonder om te zien dat leerlingen heel normaal blijven doen als er een cameraploeg of journalist in de klas is. Misschien komt dat wel omdat wij het als iets vanzelfsprekends beschouwen. Bij binnenkomst vertel ik alleen dat er misschien een paar vragen aan een paar leerlingen worden gesteld, maar dat ze vooral door moeten gaan met waar ze mee bezig zijn en dat doen ze ook. Het is een leuk item geworden. Het fragment staat HIER. Kiezen voor uitzending 13.00 – 14.00 uur. Het item begint op ongeveer 45 minuten.

Een leerling kwam niet opdagen op de eerste dag omdat vader autopech had. De volgende dag was de leerling er weer niet. De ouders zijn gebeld en toen bleek dat de auto in de garage stond en de leerling daardoor niet kon komen. Ook voor de Zomerschool is dat geen aanleiding voor verzuim en omdat de ouders niet genegen waren met het openbaar vervoer te reizen, is besloten dat de leerling verder niet meer hoeft te komen. De vrijgevallen plaats is inmiddels ingenomen door een leerling van de wachtlijst die na een telefoontje binnen een half uurtje op school was. De leerling heeft meteen een maatje gekregen om te worden bijgepraat.

Na een korte maar intensieve voorbereiding is de Zomerschool een feit. Al voor het zesde jaar is de Zomerschool het hoogtepunt van al mijn werkzaamheden in en op scholen. Het is een feest om te werken met zo’n enthousiast team.

Geplaatst in Zomerschool | Getagged , , , , , | Een reactie plaatsen

Drie weken Zomerschool 2014

Op 7 juli start de Zomerschool in Amsterdam Nieuw -West op ‘t Koggeschip voor de zesde keer. Ook dit jaar is het kinderboek Kinderen van Amsterdam de rode draad van de lessen in het ochtendprogramma.

Kinderboek_als_vertrekpunt_001

Geplaatst in Zomerschool | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Meten en bevorderen van schrijfvaardigheid

Afgelopen maand promoveerden Anouk van Eerder en Mik van Es op Het meten en maximaliseren van basale schrijfvaardigheid. Over dit onderzoek was meteen veel te doen in Nederland, want kranten namen het persbericht gretig in ontvangst plaatsten koppen als ‘Schrijfvaardigheid studenten ho en wo slecht’, of ‘ver onder de maat’.
Kritiek kwam van alle kanten. Er zou iets niet goed zijn in hun statistiek en het onderzoek zou gebruikt worden om hun eigen digitale schrijfmethodiek te promoten. De auteurs zagen zich gedwongen zich te verdedigen.

Op zijn blog bespreekt Christian Bokhove het proefschrift. Hij gaat vooral in op de statistische benadering. Hij stelt:  Dit onderzoek heeft veel losgemaakt en dat is knap. Het is goed dat er stevig onderzoek wordt gedaan naar iets wat beschouwd wordt als een belangrijke vaardigheid: het schrijven. In dat opzicht is het proefschrift een aanwinst. Ik vind met name de tweede helft vrij sterk. De eerste helft vind ik echter erg onnauwkeurig formuleren. Van de kritiek die ik las ging het meeste over de harde conclusies op basis van de steekproef.  Het proefschrift en persbericht generaliseren met een stevige uitspraak, (ii) op basis van de steekproef (en grootte ervan) is er maar beperkte evidentie dat ‘Nederlandse eerstejaars studenten’ slecht zijn in schrijven, (iii) of het schrijfonderwijs faalt kan daarmee ook niet gezegd worden, behalve als men stelt ‘het moet 0 fout zijn’, (iv) de tool TAVAN vermindert het aantal fouten van 19 naar 15 per honderd woorden maar hoe veel beter dan ‘de oude situatie’ is lastig te zeggen omdat het gaat om een specifiek ander programma dat 11 uur minder schrijfonderwijs geniet.

Over de statistiek kan ik niets zeggen, het is niet mijn vakgebied. Ik ben geïnteresseerd in de rest van het proefschrift, daar waar iets wordt gezegd over schrijfdidactiek, waar het op gebaseerd is en wat de aanpak in de loop der jaren is geweest, dat raakt mijn vakgebied.
Hoofdstuk twee gaat in op de factoren van falend schrijfonderwijs. Verschillende factoren passeren de revue maar ik mis een heldere scheiding tussen het po, vo en ho. De auteurs hebben het terloops over schrijfdidactiek, maar hoppen van voorbeelden in het po naar voorbeelden in vo en ho zonder dat in een doorgaande lijn te plaatsen. De procesgerichte aanpak heeft volgens de auteurs gefaald. Helaas kunnen zij niet overtuigen met argumentatie die wordt gebaseerd op uitspraken van de Inspectie (over het po): De inspectie stelde over de basisscholen die een procesgerichte benadering gebruikten, dat zij er niet in slaagden om de mogelijkheden van deze benadering voldoende in de praktijk te brengen. “De vraag is of de lesuitwerkingen van procesgericht schrijven die doorgaans in de methodehandleidingen staan, de leraren in de praktijk voldoende houvast bieden. Verder is de vraag of leraren op vakdidactisch gebied voldoende zijn toegerust”. Met andere woorden: het procesgerichte schrijfonderwijs leidde niet tot betere resultaten en bleek in de praktijk niet goed te werken, wat echter niet aan de nieuwe methode lag, maar aan de tekortschietende leraren.  Dat leerkrachten niet de juiste uitvoering gaven aan de procesgerichte aanpak in het po is toch geen bewijs voor het falen van de procesgerichte benadering in het vo of ho? Het hoofdstuk ‘falend schrijfonderwijs’ wekt bij mij de indruk dat het een opsomming (citaten) is uit een omgevallen boekenkast met literatuur over schrijfonderwijs, zonder dat de auteurs zelf een duidelijke visie hebben op schrijfonderwijs en schrijfdidactiek van po tot ho.
In het hoofdstuk ‘naar een oplossing van het schrijfprobleem’ lopen bij mogelijke oplossingen het po, vo en ho nog meer door elkaar. Dat is echt heel verwarrend en daardoor wordt er geen lijn zichtbaar van wat dan werkt (of niet werkt) in een bepaalde fase van schrijfvaardigheid (en op welk niveau). Daar gaat het m.i. juist om. Ik krijg de indruk dat de auteurs zelf het spoor bijster zijn en geen visie hebben als het gaat om de opbouw van schrijfvaardigheid en het daarom de lezer moeilijk maken.
Een voorbeeld. De paragraaf ‘oefenen in plaats van doceren’ focust op de frustratie van studenten. Studenten vinden schrijven vervelend, maar om beter te leren schrijven moeten ze vaker schrijven. Dat meer schrijven wordt niet echt uitgediept en direct gevolgd door ‘focus op kleine opdrachten’ (zie ik hier een visie?) en ‘focus op duidelijke in plaats van vage opdrachten’. Beide paragrafen worden matig uitgewerkt en ergens tijdens deze paragrafen hebben we de studenten verlaten en lezen we over interventies van een juf bij leerlingen. De lezer moet nu zelf bepalen of het een juf is in het po, maar of we het over middenbouw of bovenbouw hebben is onduidelijk, terwijl dat wel van belang is!
Ik ga nog een klein stukje door: Hoofdstuk 3 Onderwijs, evaluatie, constructie en methode. De volgorde van de woorden in dit kopje is opmerkelijk, maar heeft vermoedelijk te maken met deze binnenkomer: Bij de constructie van onderwijs wordt in de praktijk vaak eerst de leerstof gekozen en het onderwijsprogramma gemaakt en pas als laatste de toets geconstrueerd. Deze wordt vervolgens zo samengesteld dat de behandelde stof zo goed mogelijk afgevraagd wordt. Het resultaat van deze werkwijze is dat het middel (het onderwijsprogramma) het einddoel (een voldoende resultaat op de toets) bepaalt in plaats van omgekeerd. Een betere werkwijze lijkt te zijn: eerst nagaan wat men precies wil bereiken (de onderwijsdoelstelling formuleren) en hoe men dat precies gaat vaststellen (de toets volledig vastleggen) en pas daarna het onderwijsprogramma zo kiezen en construeren dat studenten optimaal voorbereid worden op de toetsing.  Let op het woordje ‘lijkt’. We blijken hier trouwens weer terug te zijn bij de studenten en het ‘evaluatieprobleem’ wordt besproken. Tijdens het opsommen van verschillende manieren van evalueren wandelen we zonder aankondiging weer van leerlingen (po of vo?), via volwassen workshopbezoekers naar studenten.
Ik stop met het bespreken van de rest. Ik lees vaker proefschriften, het gaat om onderzoeksresultaten waarvan ik hoop dat ik er iets mee kan in mijn praktijk. Goed, af en toe is er teleurstelling, maar dit slaat alles. Ik zou dit proefschrift zelf nooit hebben laten passeren, maar wie ben ik.
Enfin, arme auteurs en ontwikkelaars, ik ben namelijk niet opgewarmd om het programma dat ze hebben ontwikkeld te gaan proberen.
Er is nog één onderdeel in dit proefschrift waar ik aandacht voor wil vragen en dat is hoofdstuk 5. Iemand zou dat moeten controleren. In hoofdstuk 5 worden papieren en digitale methoden geanalyseerd en beoordeeld. Bij die methodes zitten er een paar die ook regelmatig op het voortgezet onderwijs worden ingezet. Ze komen niet zo best uit de bus. Het kan geen kwaad dat onderzoek nog eens dunnetjes over te doen.  Digitale_taalmethodes

Geplaatst in Schrijfonderwijs | Getagged | Een reactie plaatsen